Jeugdrecht advocaat

Vul het formulier in op deze pagina en ontvang direct hulp van een ervaren jeugdrecht advocaat.

Direct naar het contactformulier

Jeugdstrafrecht

Word je of uw kind verdacht van een strafbaar feit?

Jeugdstrafrecht
advocaat

Jeugdstraffen

Op zoek naar meer informatie over
straffen jeugdstrafrecht?

Straffen
Jeugdstrafrecht

Ondertoezichtstelling

Dreigt er een
Ondertoezichtstelling ?

Ondertoezichtstelling
(OTS)

Uithuisplaatsing

Dreigt er een
Uithuisplaatsing?

Uithuisplaatsing
(UHP)

Ondertoezichtstelling (OTS)

Wanneer de Raad voor Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg of het Openbaar Ministerie meent dat bij u thuis zaken spelen die de veiligheid van het kind in gevaar brengen, dan staan er een tweetal civielrechtelijke maatregelen tot hun beschikking. De minst ingrijpende van het stel is ondertoezichtstelling, ook wel kortweg OTS genoemd. Bij OTS wordt (vaak door Bureau Jeugdzorg) een gezinsvoogd aangesteld, die advies en ondersteuning biedt aan zowel ouders als kind. In eerste instantie richt deze gezinsvoogd zich vaak op het assisteren van de ouders, maar naarmate het kind opgroeit verschuift de aandacht geleidelijk richting zijn of haar verzelfstandiging. Lees verder over ondertoezichtstelling.

Uithuisplaatsing (UHP)

Als OTS niet tot het gewenste resultaat leidt of de betrokken instanties deze maatregel vanaf het begin al niet toereikend achten, dan komt uithuisplaatsing (UHP) in beeld als alternatief. Het grote verschil tussen de twee is dat bij een uithuisplaatsing, zoals de naam al doet vermoeden, het kind niet langer bij de ouders blijft wonen maar in een pleeggezin of instelling wordt geplaatst. De gezinsvoogd houdt gedurende deze periode contact met zowel kind als ouders, om de voortgang te kunnen monitoren. In sommige gevallen geldt bovendien dat de ouders het kind periodiek mogen bezoeken, maar dit is niet vanzelfsprekend. Wanneer de situatie voldoende hersteld is en alle partijen van mening zijn dat het kind veilig terug kan keren naar huis, dan wordt de UHP beëindigd.

Jeugdstrafrecht

Het jeugdstrafrecht is in beginsel erop gericht om minderjarigen te corrigeren zonder hun toekomst onherstelbare schade toe te brengen en zo in de knop te breken. Het doel is om jongeren te laten leren van hun fouten, zonder dat ze hier tot in lengte van jaren door worden achtervolgd. Mede daarom gelden in het jeugdstrafrecht andere straffen en maatregelen dan in het reguliere, volwassen strafrecht en liggen de maximumstraffen lager. Echter worden jongeren niet altijd per definitie volgens het jeugdstrafrecht berecht. Wanneer de ernst van het delict dit rechtvaardigt, kan de rechter besluiten een minderjarige als volwassene te berechten (denk aan moord of terrorisme).

Straffen

Evenals voor volwassenen geldt ook bij minderjarigen dat de hoogte van de straf afhankelijk is van de ernst van het feit en de voorgeschiedenis. Bij een licht eerste vergrijp blijft het vaak bij een officiële waarschuwing, maar als de betreffende jongere opnieuw een misstap begaat kan deze (een combinatie van) straffen en/of maatregelen tegemoet zien. Het jeugdstrafrecht telt drie hoofdstraffen en een tweetal bijkomende straffen.

Hoofdstraffen

Geldboete:

Bij een overtreding wordt vaak in ieder geval een geldboete opgelegd. De hoogte van het te betalen bedrag is afhankelijk van de ernst van het vergrijp, maar de rechter houdt ook rekening met de draagkracht van de jongere.

Taakstraf:

Naast een geldboete kan een rechter ook besluiten tot het opleggen van een taakstraf. Taakstraffen bestaat uit een leerstraf, een werkstraf of een combinatie van de twee. Bij een leerstraf dient de jeugdige veroordeelde een leerproject, cursus of training met goed gevolg af te ronden. Kiest de rechter er voor een werkstraf op te leggen, dan moet de jongere een vooraf vastgesteld aantal uren onbetaald werk verrichten.

Jeugddetentie:

Als zwaarste van de hoofdstraffen geldt jeugddetentie. Deze wordt dan ook alleen opgelegd wanneer er sprake is van een ernstig strafbaar feit. Krijgt een jongere jeugddetentie opgelegd, dan betekent dit dat hij of zij voor enige tijd wordt ingesloten in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI). Gedurende deze periode krijgt de minderjarige les, bijvoorbeeld in het beheersen van woede.

Bijkomende straffen

Naast bovenstaande hoofdstraffen kan de rechter tevens een of meerdere bijkomende straffen opleggen. Zo kan een veroordeelde bijvoorbeeld een ontzegging van de rijbevoegdheid aan de broek krijgen, of een zogeheten verbeurdverklaring. In dit laatste geval verliest een jongere het eigendom over bepaalde goederen of vermogen (geld) die verband houden met het strafbare feit. Bijkomende straffen kunnen zowel afzonderlijk, als in samenspel met de hoofdstraffen worden opgelegd.
Voor zowel hoofdstraffen als bijkomende straffen geldt voorts dat deze voorwaardelijk kunnen worden opgelegd. Dit betekent dat de straf in eerste instantie wordt opgeschort, maar alsnog ten uitvoer wordt gebracht wanneer de jongere zich gedurende een bepaalde proeftijd niet aan gestelde voorwaarden (bijvoorbeeld een gebiedsverbod) houdt.

Maatregelen

In aanvulling op de hoofd- en bijkomende straffen kent het jeugdstrafrecht ook een flink aantal maatregelen. Het onderscheid met de straffen, bij de ene maatregel duidelijker te herkennen dan bij de ander, is dat maatregelen er specifiek op gericht zijn de jongere verder te helpen en zo te voorkomen dat deze nogmaals in de fout gaat. Je zou in dit geval kunnen spreken van gedwongen hulpverlening. In het onderstaande een opsomming van de diverse maatregelen die het jeugdstrafrecht kent.

PIJ-maatregel

Als een rechter vermoedt dat een jeugddelinquent kampt met een ontwikkelingsachterstand of psychische stoornis, dan kan deze plaatsing in een inrichting voor jeugdigen bevelen. Een dergelijke verordening wordt ook wel een PIJ-maatregel genoemd. Bij een PIJ-maatregel wordt een jongere intensief behandeld in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI), om zo recidive te voorkomen.

Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM)

Indien plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet noodzakelijk wordt geacht maar de rechter wel het gevoel heeft dat er iets aan het gedrag van de jeugdige moet veranderen, dan kan deze beslissen tot een zogeheten gedragsbeïnvloedende maatregel. Een GBM, zoals dit ook wel wordt genoemd, bestaat uit het volgen van trainingen of behandelingen die het gedrag van de minderjarige ten goede zouden moeten doen veranderen. Het grote verschil met de PIJ-maatregel is dat de jongere hier niet voor opgenomen hoeft te worden in een JJI, maar gewoon thuis kan blijven wonen.

Schadevergoeding

Wanneer er bij het plegen van een strafbaar feit schade is ontstaan, dan kan een jongere (mits hij of zij ouder is dan 14 jaar) veroordeeld worden tot het betalen van een schadevergoeding aan de benadeelde partij. Deze schadevergoeding wordt geïnd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

Onttrekking aan het verkeer

Worden er tijdens het opsporingsonderzoek verboden voorwerpen (zoals bijvoorbeeld wapens) aangetroffen? Dan worden deze door justitie ‘onttrokken aan het verkeer’, oftewel in beslag genomen en vernietigd.

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Misdaad loont niet, aldus een oud gezegde. Om er voor te zorgen dat dit ook daadwerkelijk zo is kan een rechter beslag laten leggen op zaken waarvan het vermoeden bestaat dat deze direct of indirect afkomstig zijn uit criminele activiteiten (denk aan geld, kleding of sieraden). De verdachte hoeft hiervoor niet veroordeeld te zijn, ook bij vrijspraak behoort ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot de mogelijkheden.

Vervangende jeugddetentie of hechtenis

Zodra een jongere zijn of haar opgelegde taakstraf of GBM niet tevredenstellend afrondt, of een geldboete niet (geheel) voldoet, bestaat de mogelijkheid dat deze wordt veroordeeld tot vervangende jeugddetentie of hechtenis. De jeugdige wordt in dat geval tijdelijk ingesloten in een JJI of, wanneer deze niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie, penitentiaire inrichting.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Een vrijheidsbeperkende maatregel uit zich in een gebieds- of contactverbod; de jeugdige mag zich in dit geval enige tijd niet in een bepaald gebied begeven of contact zoeken met bepaalde personen. Tevens kan de rechter hier een meldingsplicht aan koppelen, zodat de minderjarige zich op vooraf vastgestelde tijden moet melden bij de politie.